Browse Author

Anco van Moolenbroek

Jacobs worsteling

De worsteling van Jacob met een man bij de Jabbok roept nog steeds de vraag op: wie was deze man? Is het een verschijning van God? Of de engelvorst van Ezau? Ezau zelf? In onderstaande video wordt het verhaal prachtig verteld en verbeeld.

Waarom noemde Esther Haman ‘een man’?

Koningin Esther heeft de koning Ahasveros en Haman opnieuw te eten gevraagd. Tijdens deze maaltijd vertelt Esther dat zij en haar volk ten dode opgeschreven zijn. Op Ahasveros’ vraag: “Wie is hij en waarom doet hij dit?”, antwoordt zij: “een man die een tegenstander is, een vijand, deze boze Haman.” En Haman was verbijsterd voor de koning en de koningin. (Esther 7:6).

Waarom noemde koningin Esther Haman een man (Hebr.: ish)?

De Dubno Maggid (Jacob ben Wolf Kranz of Dubno, 1740-1804) schrijft dat het woord ish gevolgd door een bijvoeglijk naamwoord een kernachtige karaktereigenschap van het onderwerp beschrijft. In onze vertaling is dat bijvoeglijk naamwoord niet zo goed zichtbaar te maken: “een tegenstrevende, vijandige man.”

Als bewijs voert de Dubno Maggid Genesis 25:27 aan waar de Torah voor het eerst het woord ish +bijvoeglijk naamwoord gebruikt. Ezau wordt hier een ‘man van het veld‘ genoemd. Het veld is onlosmakelijk verbonden met de persoon van Ezau. En Ezau is Hamans voorvader. Daarom is Hamans voornaamste karakteristiek dat hij een tzar vóivev, een vijand is.

Amalek haatte de Joden zonder reden. De Dubno Maggid vergelijkt Amalek met een veelvraat die op een feest alle restjes opeet. Zo beschrijft ook de Tora  (Deuternomium 25:18) de aanval van Amalek als een aanval op de zwakken en vermoeiden.

Ook David profeteert in Psalm 137:7 dat de Tempel tot op de fundamenten verwoest zal worden. De Romeinen waren niet tevreden met de verwoesting van de Tempel door vuur, maar zij wilden deze meer dan vernietigd zien. Denk aan Jezus’ uitspraak dat geen steen op de andere gelaten zal worden. In de Joodse traditie worden de Romeinen als Edomieten beschouwd.

Bron

What’s in a name?

“What’s in a name?

That which we call a rose
By any other name would smell as sweet.”

Veelvuldig wordt deze zin uit Shakespeares Romeo en Juliet aangehaald. Een naam is volgens Juliet niets anders dan een betekenisloze afspraak. Zij heeft niet de naam, maar de persoon lief. Waarop Romeo zijn afkomst afzweert.

En toch… vinden wij het niet om het even hoe wij onze kinderen noemen.
Door naamgeving leggen wij verband met het verleden; we ver-noemen.
Door naamgeving kunnen we het heden benoemen. Wij noemen hem… Zij heet…
Door naamgeving spreken wij verwachting uit naar de toekomst. Want daar komt de betekenis van onze naam tot uitdrukking.

Kort na het verschijnen van mijn boek over Ezau ontving ik het volgende mailtje:

Momenteel ben ik 33 weken zwanger van ons zoontje. Wij willen hem Esau noemen. Wij vinden het een prachtige naam, op de echo was een grote bos haar te zien, én mijn vriend heeft rood haar (wij hopen dat Esau dat ook krijgt. Dat zou compleet zijn). Echter, als wij de diepte in duiken over deze naam, komen wij verschillende verhalen en uitleg tegen over wie Esau/Ezau was. Even kort; het goede of het kwade? Wellicht een ietwat vreemde vraag maar zou u een korte uitleg kunnen geven over uw visie/ontdekkingen? (…) Wij hebben geen twijfels over de naam maar het is lastig om een korte uitleg te geven van wie Esau/Ezau werkelijk was. (…)”

Wie was Ezau? En beoogt zijn naam het goede of het kwade te betekenen? Dat zijn wezenlijke vragen!

De ouders van Ezau hebben hem vast geen naam gegeven met de bedoeling dat het een negatieve betekenis zou hebben. Toen hij geboren was, bleek hij volledig behaard te zijn, als een haren kleed. Daarom noemden zij hem Ezau, de harige. Hij was de oudste van een tweeling. Zijn broer die hem volgde, werd Jacob genoemd. Dat is: hij die volgde. Want hij bleek de hiel van zijn broer Ezau vast te houden. Het Hebreeuwse woord voor hiel en de naam Jacob hebben dezelfde woordstam.

Zo werd de eerste genoemd naar zijn uiterlijk, en de tweede naar zijn gedrag.

Beide jongens groeien op. Ezau zwerft als jager rond, terwijl Jacob thuis blijft. En op zeker moment komt Ezau terug van de jacht en is hij uitgehongerd. Hij ziet dat Jacob gekookt heeft. Een rode linzensoep. En Ezau zegt: laat mij slurpen van het rode, het rode. En daarom werd hij van die dag af ook Edom genoemd. Dat betekent Rood. En zo zag hij er ook uit toen hij geboren werd: niet alleen harig, maar ook rossig. Weer krijgt Ezau een naam naar zijn uiterlijk, naar wat zichtbaar is.

Maar of een naam een positieve lading heeft vooral te maken met gedrag en karakter. Ezau werd als eerste geboren en hij stond in de lijn van de eerstgeborenen. De eerstgeborene had recht op een dubbel deel van de erfenis, maar had vooral ook de verantwoordelijkheid om in opdracht van God zijn familie/volk te leiden in het goede. Zo is het eerstgeboorterecht een gave én een opgave. Echter, Ezau stelde geen prijs op zijn recht en verkocht het aan zijn broer Jacob. In ruil voor een hap van het rode. Later heeft hij daar veel spijt van gehad, maar toen was het te laat. Hij heeft Jacob daarom naar het leven gestaan. En zijn nakomelingen, de Edomieten, deden hetzelfde met de Israëlieten, de nakomelingen van Jacob. Want ook Jacob kreeg een andere naam: Israël. Dat is: Strijder Gods.

De Bijbel tekent Ezau als een levensgenieter, een jager. Als iemand die voor het hier-en-nu leeft. Een hedonist. Want je maakt naam vanuit datgene waar je het meest naar verlangt; vanuit datgene wat je doet. In het kort koos Ezau dus voor zichzelf. Of beter gezegd, hij wilde zijn verantwoordelijkheid niet dragen.

Je naam is wie je bent. Dat is je identiteit. Met onze naam kunnen we geroepen worden. Geroepen met een bedoeling. Met de bedoeling dat je je verantwoordelijkheid neemt. Het Hebreeuwse woord voor noemen is qara. Al in het eerste hoofdstuk van de bijbel wordt dat woord gebruikt. God noemde het licht dag en de duisternis nacht. Zijn dat ook niet beelden van goed en kwaad? Want wie kwaad doet, doet iets wat het daglicht niet kan verdragen. De nacht is voor het ongedierte.

Iedere ouder heeft het geluk van zijn kinderen voor ogen. Echt gelukkig ben je als je tot je doel komt. Ezau was niet echt gelukkig. Dat blijkt wel uit zijn leven. Altijd jaagde hij naar het geluk, maar hij raakte verbitterd omdat hij het geluk niet vond. En dat was zijn eigen schuld. De Edomieten hadden geen beste naam. Niettemin, de Israëlieten moesten mededogen hebben met hen: “want hij is uw broer!”. En er waren Edomieten die Israëliet werden.

Zo kijkt God nog steeds om naar wie zijn eigen gang wil gaan; die alleen leeft voor het hier-en-nu. Met mededogen. Het bleef bij Hem niet alleen bij kijken. Nee, Hij kwam en handelde als een echte Israëliet, een Strijder Gods. Jezus Christus, de Naam boven alle namen. Het is ook de enige Naam waardoor we het geluk kunnen vinden.

Want God heeft ons geluk voor ogen.

Romeo en Juliet kwamen uit families die elkaar bevochten. What’s in a name. Als een roos anders genoemd zou zijn, zou deze nog steeds lekker ruiken. Wie genoemd wordt naar de Naam van Christus wordt geroepen om de geur van Christus te verspreiden. Zodat ook anderen kennis krijgen van deze Naam.

Want God heeft hun geluk voor ogen.

Aanvallen van Amalek op het Koninkrijk

Amalek was een kleinzoon van Ezau. Zeven keer beschrijft de Bijbel een aanval van ‘Amalek’ op het Koninkrijk. Al heet hij niet altijd Amalek. Steeds wordt hetzelfde patroon gevolgd. Aan deze zeven aanvallen gaat er een vooraf – die volgt echter de omgekeerde volgorde.

beknopte samenvatting
Schematisch overzicht van het tweede deel van het boek.

Amalek Actueel

Met Trumpetgeschal is deze week het Witte Huis veroverd. De wereld kijkt verbaast naar deze machtswisseling. Mij trof onderstaande afbeelding. Clinton afgeschilderd als ‘Amalek’, de aartsvijand van Israël. In alle eeuwen hebben Joden hun vijanden ‘Amalek’ genoemd, al dan niet terecht. Want in elke generatie is Amalek. Hoewel ik de verbinding Amalek-Clinton niet direct zou leggen, is de houding t.o.v. Israël wel een goede maatstaf. Zie ook Ezechiel 35. #AmalekActueelHillary Clinton wordt Amalek genoemd.

Recensie Bijbelaantekeningen

Jan Pieter van der Giessen van de website Aantekeningen bij de Bijbel schreef de eerste recensie:

Tegenwoordig verschijnen nog maar weinig studieboeken over een specifiek Bijbels persoon. Toch heeft de schrijver Anco van Moolenbroek het aangedurfd om een lijvig boek (meer dan 400 pagina’s) over Ezau, de broer van Jakob, te schrijven. Een keuze die niet direct voor de hand ligt, maar een blik op het inhoudsregister geeft al aan dat niet alleen over de persoon Ezau wordt geschreven, maar ook over zijn nageslacht. Dat is dan ook het interessante van dit boek, er wordt gekeken hoe in de loop der eeuwen het nageslacht van Ezau zich ontwikkelen tot de Edomieten en later de Amelekieten en hoe die zich opstellen tot hun broedervolk Israël.

Zoals je mag verwachten van een degelijk studieboek wordt ieder aspect wel behandeld. In de eerste zes hoofdstukken van het eerste deel wordt een uitvoerige biografie gegeven over Ezau zelf, om in het zevende hoofdstuk in te gaan op zijn directe nageslacht, de Edomieten. In de hoofdstukken daarna wordt de lezer meegenomen in het erfbezit van Ezau en worden steden als Petra, Bozra, Teman en Dedan beschreven. Interessant is meteen dat ook de religie van deze steden wordt behandeld en we kunnen zien hoe die steeds meer afwijkt van de Joodse godsdienst. In vogelvlucht lezen we over hoe Ezau’s nazaten een belangrijke rol spelen in koninkrijken als Idumea, Phoenicië, het Romeinse Rijk en andere. Een speciaal hoofdstuk wordt gewijd aan profetieën welke gericht zijn aan/tegen Edom.

In het tweede deel wordt vervolgens nog eens uitvoerig diverse Edomieten en Amalekieten behandeld, zoals Haman in de geschiedenis van koningin Esther, David en de Amalekieten om langzaam de hypothese op te werpen dat Amalek, de kleinzoon van Ezau, de vermenselijking is van de mens zonder God en zelfs de tegenstander van God is. Ook al vind ik dat de schrijver soms hierin te ver doorschiet, blijft het een interessante hypothese die zeker redelijk is onderbouwd en goede inzichten geeft over diverse verhoudingen van deze volken ten opzichte van het Joodse volk in de Bijbel.

Het boek is goed voorzien van voetnoten en gelukkig staan die onderaan de pagina en niet zoals vaak tegenwoordig gebeurd achteraan, zodat men gemakkelijk deze eropna kan slaan.

Voor iedereen die van een goede Bijbelstudie houdt is dit boek zeker aan te raden.

Amalek & Israël

Toen kwam Amalek. Exodus 17 beschrijft in een negental verzen de strijd van Amalek tegen Israël en andersom. Deze perikoop is op een mooie literaire wijze vormgegeven. Het inspireerde me tot onderstaande verbeelding. En toen werd ook duidelijk: daar waar Amalek in de tekst hoorde te staan, stond niets. Want de herinnering aan Amalek zal van onder de hemel worden uitgewist.

exodus-17-bew

Het Evangelie van het Koninkrijk

Vanaf het eerste begin van Zijn openbare optreden verkondigde Jezus het Evangelie van het Koninkrijk. Deze uitdrukking komen we drie keer in het Evangelie naar Mattheus tegen[1]. De eerste keer spreekt Jezus erover aan het begin van Zijn omwandeling. Het Evangelie van het Koninkrijk wordt door Jezus gepredikt in alle synagogen.

23 En Jezus trok rond in heel Galilea, gaf onderwijs in hun synagogen en predikte het Evangelie van het Koninkrijk, en Hij genas elke ziekte en elke kwaal onder het volk. (Matth. 4)

Vervolgens lezen we deze uitdrukking in relatie tot de vermoeide en verstrooide schapen en het ontbreken van herders.

35 En Jezus trok rond in al de steden en dorpen en gaf onderwijs in hun synagogen, en Hij predikte het Evangelie van het Koninkrijk en genas iedere ziekte en elke kwaal onder het volk.

36 Toen Hij de menigte zag, was Hij innerlijk met ontferming bewogen over hen, omdat zij vermoeid en verstrooid waren, zoals schapen die geen herder hebben.

37 Toen zei Hij tegen Zijn discipelen: De oogst is wel groot, maar er zijn weinig arbeiders. 38 Bid daarom tot de Heere van de oogst dat Hij arbeiders in Zijn oogst uitzendt. (Matth. 9)

Het blijft niet bij de verzuchting en oproep tot gebed, maar Jezus laat vervolgens Zijn discipelen twee aan twee op stage gaan. Ze mogen niet naar de Samaritanen,

6 maar ga liever naar de verloren schapen van het huis van Israël. 7 En als u op weg gaat, predik dan: Het Koninkrijk der hemelen is nabijgekomen. (Matth. 10)

De oversten van het volk wijzen Hem echter af en noemden Jezus Beëlzebul, de overste van de duivelen. Hebben de Rabbijnen geweten Wie Jezus was? Wisten zij dat de Messias lijden zou? Nou en of. De Talmoed is daar niet onduidelijk over [205, 291]. Maar zij weigerden om Hem te erkennen als de beloofde Profeet. Jezus betitelde dit als de zonde tegen de Heilige Geest, waarvoor geen vergeving is[2]. Want een Koninkrijk kan niet bestaan wanneer het tegen zichzelf verdeeld is. We lezen dan dat Jezus het huis verlaat en bij de zee gaat zitten[3]. De zee ziet in de Bijbel vaak op de typologische betekenis van de volkenzee[4]. Het is dus hier veelzeggend dat Jezus aan de zee gaat zitten. Hij begint ook in gelijkenissen te spreken, want, zo zegt Hij Zijn discipelen:

omdat het u gegeven is de geheimenissen van het Koninkrijk der hemelen te kennen, maar aan hen is het niet gegeven. (Matth. 13:11)

Zijn gelijkenissen handelen over de aspecten van het Koninkrijk der hemelen. Overal geeft Jezus onderwijs aangaande het Koninkrijk. Zo leert Hij ook op zeker moment in de tempel. De overpriesters en oudsten van het volk komen naar Hem toe en vragen naar Zijn bevoegdheid. Daarop vertelt Jezus twee gelijkenissen. De ene gaat over de vader die zijn twee zoons vroeg om in de wijngaard te gaan werken. De ene bedankte, maar bedacht zich en ging toch. De ander zei ja, maar ging niet. Jezus zei tegen hen: Voorwaar, Ik zeg u dat de tollenaars en de hoeren u voorgaan in het Koninkrijk van God[5]. En daarna volgt de gelijkenis van de heer van de wijngaard die zijn knechten erop uitstuurt om de vruchten te ontvangen. Maar ze worden gedood. Ja, zelfs de zoon doden ze.

42 Jezus zei tegen hen: Hebt u nooit gelezen in de Schriften: De steen die de bouwers verworpen hadden, die is tot een hoeksteen geworden; dit is door de Heere geschied, en het is wonderlijk in onze ogen?

43 Daarom zeg Ik u dat het Koninkrijk van God van u weggenomen zal worden en aan een volk gegeven dat de vruchten ervan voortbrengt. (Matth. 21)

Zie, het Koninkrijk van God wordt van het volk weggenomen en aan een ander volk gegeven. De parallel met koning David en koningin Esther ligt hier voor de hand: het koninkrijk wordt gegeven aan een die beter is. Naast de overeenkomst is in deze tekst ook duidelijk verschil. Het volk dat het Koninkrijk krijgt, is niet beter dan het volk Israël, maar het brengt de vruchten van het Koninkrijk voort. Hoewel, in die zin is dat volk wel beter: het brengt goede vrucht voort[6].

Welk volk bedoelt de Heere Jezus? Aan welk volk wordt het Koninkrijk gegeven? Koning David zong een danklied op de dag dat JHWH hem redde uit de hand van zijn vijanden en van koning Saul. Hij zegt dan[7]:

44 U hebt mij bevrijd van de aanklachten van het volk;

U hebt mij aangesteld tot hoofd van de heidenvolken;

het volk dat ik niet kende, heeft mij gediend. (Psalm 18)

Het is dus een volk uit de heidenen; een volk dat niet door David gekend was. Het is hetzelfde volk waarover Jesaja spreekt. Vooral Jesaja 55 vers 5 spreekt over een volk. Maar de uitnodiging in de verzen daarvoor, dát is het Evangelie van het Koninkrijk:

1 O, alle dorstigen, kom tot de wateren,

en u die geen geld hebt, kom,

koop en eet, ja, kom, koop zonder geld,

zonder prijs, wijn en melk.

2 Waarom weegt u geld af voor wat geen brood is,

en uw arbeid voor wat niet verzadigen kan?

Luister aandachtig naar Mij, eet het goede,

en laat uw ziel vreugde scheppen in de overvloed.

3 Neig uw oor en kom tot Mij,

luister, en uw ziel zal leven;

want Ik zal met u een eeuwig verbond sluiten:

de betrouwbare gunstbewijzen aan David.

4 Zie, Ik heb Hem gegeven als Getuige voor de volken,

als Vorst en Gebieder voor de volken.

5 Zie, U zult een volk roepen dat U niet kende,

en het volk dat U niet kende, zal naar U toe snellen, omwille van de HEERE, uw God,

voor de Heilige van Israël, want Hij heeft U verheerlijkt. (Jesaja 55)

Het gaat dus om het volk dat God niet kende en dat niet door God gekend was. Dus het Evangelie van het Koninkrijk ging naar de heidenvolken. Die volken waarheen het Huis van Israël (de tien stammen) verstrooid was. Het is het volk waarvan Hosea sprak: Lo-Ammi, niet mijn volk[8]. De apostel Paulus bevestigt dit met zijn woorden in Romeinen 9:25-26: heeft Hij ook geroepen niet alleen uit de Joden, maar ook uit de heidenen? Zoals Hosea zegt: Het Niet-Mijn-volk zullen kinderen van de levende God genoemd worden. Daarvoor is Jezus gegeven als Getuige voor de volken, als Vorst en Gebieder voor de volken. Dat niet-gekende-volk zijn de schapen die nog niet van deze schaapskooi zijn. Die moeten ook binnengebracht worden, zodat het één kudde en één Herder zal zijn[9]. Het is dat volk waartegen ook de apostel Petrus spreekt[10]. Onmiskenbaar past Petrus in vers 10 de profetie van Hosea toe.

6 Daarom staat er in de Schrift: Zie, Ik leg in Sion een hoeksteen die uitverkoren en kostbaar is; en: Wie in Hem gelooft, zal niet beschaamd worden. 7 Voor u dan, die gelooft, is Hij kostbaar; maar voor de ongehoorzamen geldt: De steen die de bouwers verworpen hebben, die is de hoeksteen geworden, en een steen des aanstoots en een struikelblok; 8 voor hen namelijk die zich aan het Woord stoten, door ongehoorzaam te zijn, waartoe zij ook bestemd zijn.

9 Maar u bent een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterschap, een heilig volk, een volk dat God Zich tot Zijn eigendom maakte; opdat u de deugden zou verkondigen van Hem Die u uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht,

10 u, die voorheen geen volk was, maar nu Gods volk bent; u, die zonder ontferming was, maar nu in ontferming aangenomen bent. (1 Petr. 2)

Met het niet-gekende volk wordt in de eerste plaats het Huis van Efraïm/Jozef bedoeld. Van dat volk had God afscheid genomen, de scheidbrief gegeven, volgens de profeet Jeremia[11]. God was niet meer met dat volk getrouwd.

Naar dat volk gaat het Koninkrijk van God. En waar de Koning is, daar is het Koninkrijk. Waar Christus is daar zijn christenen. Wat zijn de vruchten van het Koninkrijk? De tekst staat ook in de context van de gelijkenis die Jezus spreekt tegen de Farizeeën. De gelijkenis van de boze wijngaardeniers. Jezus haalt daar Jesaja 5 aan. Jesaja voert sprekende JHWH in die het over Zijn wijngaard heeft. Een wijngaard die niet de gewenste vruchten opbrengt. Terwijl Hij hoopte op recht, zie, het werd bloedvergieten. Op gerechtigheid, en zie geschrei[12]. Recht en gerechtigheid zijn de vruchten van het Koninkrijk.[13]

De derde keer dat we de uitdrukking het Evangelie van het Koninkrijk lezen, staat in de zogenaamde eindtijdrede. De discipelen vragen Hem wanneer ‘het alles zal gebeuren’. Wat is het teken van Uw komst?

14 En dit Evangelie van het Koninkrijk zal in heel de wereld gepredikt worden tot een getuigenis voor alle volken; en dan zal het einde komen. (Matth. 24)

Samengevat: het Evangelie van het Koninkrijk ziet op de verkondiging van de Goede Boodschap, eerst aan de Joden, en ook aan alle volken op deze aarde. Onder die volken is het Huis van Efraïm verborgen.

Tekst Waar Wat Wie Bijzonderheden
Matth. 4:23 Galilea, synagogen onderwijs, genezing Menigten volgen Hem Niet alleen uit Galilea, maar ook uit Dekapolis, Jeruzalem, Judea en het Overjordaanse
Matth. 9:35 steden, dorpen, synagogen onderwijs, genezing Schapen zonder herder De velden zijn wit, arbeiders zijn nodig
Matth. 24:14 heel de wereld getuigenis alle volken tot het einde

Deze uitweiding over het Evangelie van het Koninkrijk is belangrijk, omdat we daarmee gaan begrijpen waartegen de volgende aanval van Amalek gericht zal zijn. Die zal gericht zijn tegen het gekende en het niet-gekende volk, want God heeft beloofd dat Hij deze twee weer tot één zal verzamelen[14]. Paulus bewijst dat ook als hij de Schriften laat spreken in zijn brief aan de Romeinen[15].

8 En ik zeg dat Jezus Christus een Dienaar van de besnijdenis is geworden ter wille van de waarheid van God om de beloften aan de vaderen te bevestigen, 9 en opdat de heidenen God zouden verheerlijken vanwege de barmhartigheid, zoals geschreven staat: Daarom zal ik U belijden onder de heidenen, en Uw Naam lofzingen.

10 En verder zegt Hij: Wees vrolijk, heidenen, met Zijn volk!

11 En verder: Loof de Heere, alle heidenvolken, en prijs Hem, alle volken!

12 En verder zegt Jesaja: De wortel van Isaï zal er zijn en Hij Die opstaat om heerschappij te voeren over de heidenen, op Hem zullen de heidenen hopen. (Rom. 15)

Jezus Christus is een Dienaar van de besnijdenis geworden, zodat de beloften van God aan de vaderen bewaarheid worden. Die beloften omvatten het heil voor de heidenen. Paulus is heel duidelijk als hij het over het volk Israël heeft. God heeft Zijn volk, dat Hij van tevoren kende, niet verstoten[16]. Dát volk, samen met de heidenvolken roept hij op om vrolijk te zijn[17]. Het Huis van Juda en het Huis van Efraïm zullen weer tot elkaar zullen komen. Efraïm, dat zijn de verloren schapen van het huis van Israël, de andere schapen die van deze stal nog niet zijn. Het huis van Juda is niet afgeschreven, want Jeremia zegt op last van JHWH dat er dagen komen dat JHWH ook met het Huis van Juda een nieuw verbond zal sluiten[18].

Eén Herder, één kudde, één Koninkrijk

Maar zover is het nog niet, want men bracht Jezus aan het kruis. Weer bijt de ‘oude slang’ in de Hiel, en daarmee bijt hij tegelijk in het stof. Judas, als het zaad van de slang, levert Jezus, het Zaad van de vrouw, over in de handen van de Farizeeën en Schriftgeleerden. Echter, door Zijn dood heeft de Zaligmaker hem die de macht over de dood had – dat is de duivel – teniet gedaan[19]. Door Zijn bereidheid en Zijn gehoorzaamheid heeft Jezus de kop van de slang vermorzeld. Zijn vonnis is geveld, maar zijn oordeel heeft hij nog niet gekregen. Hij gaat nog rond als een brullende leeuw[20] of als een engel van het licht[21]. De kruisiging maakt dus geen onderdeel uit van het patroon, maar vindt zijn type wel in de opheffing van de koperen slang in de woestijn[22].

(Bijlage uit “Ezau, hij is Edom. De verborgen strijd om het Koninkrijk”. Anco van Moolenbroek, 2016)

[1] Ook 1x in Markus, 2x in Lukas, 1x in Handelingen; deze kennen echter een toevoeging. Het Evangelie van het Koninkrijk van God.

[2] Matth. 12:22-32.

[3] Matth. 13:1.

[4] Openb 17:15.

[5] Matth. 21:31.

[6] Of is het een verwijzing naar het Huis van Efraïm (dubbel vruchtbaar/dubbele vrucht)?

[7] De psalm staat ook in 2 Sam. 22.

[8] Hos. 1:9; 2:22;

[9] Joh. 10:16.

[10] De apostel Jakobus schrijft zijn brief aan de twaalf stammen in de verstrooiing. Petrus spreekt in zijn aanhef over de vreemdelingen die in de verstrooiing zijn.

[11] Volgens Jeremia 3:8 heeft God het huis van Israël weggestuurd met een echtscheidingsbrief. Hoewel het huis van Juda het er zelfs slechter vanaf bracht, heeft God hen geen echtscheidingsbrief gegeven. Lees bijvoorbeeld ook Joh. 4. Jezus verlaat Jeruzalem en Judéa en moet door Samaria gaan. Daar ontmoet Hij de overspelige vrouw, midden op de dag. Hij blijft twee dagen in Sichar, vlakbij het stuk land dat Jakob aan zijn zoon Jozef gaf. Na twee dagen, dus de derde dag, komt Jezus weer in Kana. In Zijn eigen land. Kana, dat is de plaats waar Hij het eerste wonder deed, op een bruiloft!

[12] Jes. 5:7. De woorden recht en bloedvergieten, gerechtigheid en geschrei, verschillen steeds een letter in het Hebreeuws.

[13] Dat sluit andere vruchten in: vruchten van geloof en bekering, vrucht van de Geest (Gal. 5:22-23).

[14] Met kracht moeten we daarom de Vervangingstheologie afwijzen die zegt dat de Gemeente van het NT de plaats van het volk Israël ingenomen heeft [360].

[15] Achtereenvolgens zijn dat aanhalingen uit Psalm 18 (vers 9), Deut. 32:43 (vers 10), Psalm 117 (vers 11) en Jesaja 11:10 (vers 12).

[16] Rom. 11:2.

[17] Op die manier zal heel Israël zalig worden (Rom. 11:26). Maljaars [364] toont in zijn exegetische studie over dit vers aan dat met ‘heel Israël’ het geheel van de gelovigen uit alle volken wordt bedoeld. Gelovigen uit de Joden en uit de heidenen. Zijn vervolgconclusie, dat het volk Israël na Christus geen bijzondere positie meer inneemt onder de volken, zoals ook Van de Beek in zijn boek “De kring om de Messias” [261] beweert, deel ik echter niet.

[18] Jer. 31:31.

[19] Hebr. 2:14.

[20] 1 Petr. 5:8.

[21] 2 Kor. 11:14.

[22] Num. 21:9, Joh. 3:14.

  • 1
  • 2